Het orgeltje van Sven

Niks lekkerder dan het geluid van een orgeltje. Ik hou van orgel.

Pardon? U was toch van de snaren? Een echte strat-adept? Lid van de Six String Society? Absoluut. Rokend gitaargeweld, de stampende, eeuwigdurende solo’s van Gallagher of – van latere datum – Bonamassa: u kunt mij er voor wakker maken. De geluidsbarrière doorbrekende vingervlugheid van Petrucci of ‘Satchmo’: kom maar door.

Toch: ik hou van orgels. Alle orgels.

In menige kerk kan ik mij echt vergapen aan de pracht van een machtig orgel. Zo herinner ik mij een kerstdienst in Ichthus, de kerk in Emmen waar ik tegenwoordig eigenlijk te weinig kom. De waan van de dag zorgt voor de verwaarlozing van de innerlijke geestelijke gesteldheid. Het orgel in die kerk is – zonder daarmee iemand te kort te willen doen – niet van uitzonderlijke kwaliteit. Totdat Meindert de toetsen beroerde tijdens die bewuste kerstdienst. De tranen parelden over mijn wangen. Zo mooi.

Maar ik heb het ook bij het intro van Deep Purple’s ‘Lazy’ in de uitvoering zoals deze op ‘Made in Japan’ staat. Jon Lord haalt daar geluiden uit zijn Hammond die ik niet voor mogelijk hield toen ik de plaat voor het eerst hoorde. Buitenaards. Dan volgt het samenspel tussen Lord en Blackmore op die stratocaster: de melodieën dansen om elkaar heen en je hoort dat beide mannen op de top van hun kunnen zijn. Hierna kon het alleen maar minder worden. Dat werd het dan ook. Na ‘Deep Purple in Rock’, ‘Machine Head’ en ‘Made in Japan’ maakte de band wat mij betreft niet heel veel noemenswaardigs meer.

Dat heerlijke Hammond-geluid had ik eigenlijk na die plaat nooit meer gehoord. Althans, niet in volle glorie. Niet in diezelfde intensiteit. Tot Retropop. Tot Sven Hammond. Een Nederlandse rhythm and bluesformatie die nota bene al tien jaar bestaat. Ik kende het niet, tot mijn grote schaamte. Als fotograaf installeerde ik mij voor de eerste drie nummers in de pit en daar raakte ik in gesprek met een dame die overduidelijk groot fan was. Aanstekelijk enthousiast vertelde ze over hetgeen ik te zien zou krijgen – en te horen.

Ze had geen seconde overdreven. Van de eerste noot tot de laatste blies de band het dak van de snikhete tent van de Future Stage. Dit stampte. Dit kolkte. Dit overviel je als die eerste duik naar beneden in een waanzinnige achtbaan. Die achtbaan voerde je langs de beste soul en blues die ik in tijden had gehoord. De band ronkte verder. Scheurde. Teisterde. Beukte. Net zo lang tot iedereen in beweging was. Ik hoorde het orgeltje. Ik hoorde het heerlijke Hammond-geluid. Ik hoorde Sven Hammond geluiden uit dat houten kistje toveren die ik niet voor mogelijk zou hebben gehouden als ik Jon Lord niet zou hebben gekend. Ik wist dat die geluiden in dat orgeltje verstopt waren en dat er maar weinig mensen zijn die over voldoende magie in de vingers beschikken om deze kluis waardig te kunnen openen.

Ik hoorde de magie. Vergat zelfs te fotograferen.

De volgende dag direct Sven Hammond IV en het live album – opgenomen in het Haagse Paard van Troje – aangeschaft, op vinyl uiteraard. Genieten.

Ik hou van dat orgeltje.