Nederland: investeer in digitale infrastructuur

Het aantal nieuwe glasvezelverbindingen in Nederland daalt snel. Dat wil zeggen: KPN en Ziggo leggen steeds minder glasvezel aan (http://www.nu.nl/internet/4667001/aantal-nieuwe-glasvezelverbindingen-in-nederland-daalt-wederom.html) en kiezen voor het onderhoud van de bestaande netwerken. Daar lopen gemeentes en bedrijven nu tegen te hoop. Terecht. Micro-bedrijfseconomisch is er best wat voor te zeggen om te kiezen voor een upgrade van de oude DSL-netwerken, maar strategisch is het letterlijk de dood in de pot om niet te investeren in de digitale infrastructuur.

Nederland moet flink investeren in de digitale infrastructuur. Om te beginnen in snelle internetverbindingen met voldoende capaciteit. Waarom? In de eerste plaats moeten we af van het idee dat data en dataverwerking centraal gebeurt in grote, centrale datacenters met grote, centrale systemen. Data wordt gemaakt en verwerkt aan de randen van het internet. Een groot gedeelte van onze bevolking heeft tegenwoordig een mini-datacenter op zak: de smartphone. Miljoenen smartphones en tablets, zowel bij consumenten als zakelijk. Dat vereist een andere infrastructuur.

Aan de randen van het internet komen nog veel meer apparaten die data genereren en verwerken. Denk aan de slimme thermostaat, maar ook aan autonoom rijdende auto’s. Denk aan slimme steden. Denk aan allerlei geautomatiseerde toepassingen met sensoren, in de industrie en gezondheidszorg. De druk op ‘het’ netwerk zal alleen maar toenemen. De druk aan de randen van het internet neemt toe. Dat moeten we in goede banen kunnen leiden. Snelle verbindingen en voldoende capaciteit zijn noodzakelijk, maar niet afdoende. Een belangrijk onderdeel is de versnelde adoptie van IPv6. Daar loopt Nederland gruwelijk achter en moeten we een enorme inhaalslag maken. Al jaren. Voor ISPam.nl heb ik er regelmatig artikelen over geschreven, altijd met dezelfde boodschap. IPv6 blijft achter. Anno 2017 zitten we nog steeds onder de tien procent adoptie.

Nogmaals: we moeten af van het ‘centrale denken’, op alle lagen. De toekomst zit niet in megalomane, allesomvattende systemen vanuit één datacenter. (Vooruit: twee datacenters vanwege de continuïteit.) De toekomst zit in fabrics, stukken herbruikbare software die snel is aan te passen met nieuwe functionaliteit. De toekomst zit in api’s tussen die fabrics zodat je flexibel wordt in op- en afschalen van functionaliteit. De toekomst zit in orchestratie. De toekomst zit in kleinere, veel flexibelere omgevingen. In pods en hubs die door kleine groepen ontwikkelaars en beheerders kunnen worden onderhouden, uitgebreid, aangepast en desnoods vervangen.

Volledig analoog aan het gebruik van de smartphone: een app die niet meer voldoet, verwijder en vervang je eenvoudig voor een andere app. Dat betekent dat je een open ecologie nodig hebt, waar partijen gemakkelijker toegang tot kunnen krijgen en snel functionaliteitswensen kunnen invullen. Dat is niet voorbehouden aan een paar grote partijen, maar vooral ook het terrein van slimme startups. De ‘grote jongens’ zouden daarbij vooral als enablers moeten acteren: ervoor zorgen dat die ecologie inderdaad zo open mogelijk is, zo snel mogelijk, zo schaalbaar mogelijk en – niet onbelangrijk – zo veilig mogelijk.

Zeer recent verscheen het rapport ‘Fundament van de Digitale Economie’, namens brancheorganisaties DHPA, Dutch Datacenter Association, ISPConnect en The METISfiles. In de conclusie staat: ,,De digitale economie is niet meer een bijzaak van de bredere Nederlandse economie. De digitale sector is de motor achter de hele economie. Ieder bedrijf, of het nou een bank is of een warenhuis, is eigenlijk een IT bedrijf geworden.”

Den Haag: laat het geen bijzaak worden. Ga sturen op marktpartijen en zorg ervoor dat ze gaan investeren in die infrastructuur, in het fundament onder onze digitale economie. Stimuleer de open ecologie. Geef de digitale economie ruimte in ons land.